Overheid faalt permanent bij beheersen instroom in WAO/WIA en Jeugdhulp
Maar met neoliberaal beleid heeft het niets te maken

Beeld: Gemini (AI)
Politici krijgen vaak de schuld van bezuinigingen op de WAO, de WIA en de Jeugdhulp: het zou allemaal neoliberaal beleid zijn. Maar de werkelijkheid is minder ideologisch en veel praktischer: de overheid slaagt er al decennia niet in om te voorkomen dat steeds meer mensen een beroep doen op deze regelingen.
Politicoloog Catherine de Vries heeft in haar boek Symfonie van de Onvrede (2026) het neoliberalisme aangewezen als de oorzaak van de verschraling van publieke voorzieningen in Nederland. Het neoliberalisme zou in de Nederlandse politiek de heersende ideologie zijn vanaf de jaren 1980. Het neoliberale uitgangspunt was dat de burger zelf meer verantwoordelijkheid moest nemen voor zijn bestaan en dus niet eenvoudig meer toegang tot publieke voorzieningen zou krijgen. Bovendien zouden deze voorzieningen er alleen voor de ‘echte minima’ mogen zijn.
Neoliberaal beleid dat zichzelf tegenspreekt
Een logisch gevolg is de teruggang in bescherming van werknemers, zoals bestuurskundige Naomi Woltring in haar boek De marktconforme verzorgingsstaat (2024) claimt. Dat gold bijvoorbeeld voor de Wet op de arbeidsongeschiktheid (WAO). Vanaf de jaren 1980 ging de politieke discussie over beperkingen van de uitkeringsrechten in de WAO. Dezelfde discussie speelt nu bij de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
De Vries voegt daar als voorbeeld voor neoliberaal beleid onder meer de Jeugdwet aan toe. Zeker vanaf 2020 is er door verschillende onderzoekers op gewezen dat steeds meer hulp bij huishoudens met een hoger inkomen terecht is gekomen, in strijd met neoliberaal gemotiveerd beleid. Waarom grepen de neoliberale politici die volgens De Vries en Woltring al decennialang de dienst uitmaken niet in?
WAO/WIA: één miljoen uitkeringen leidt tot politieke paniek
Het antwoord kan niet anders zijn dan dat de overheid bij de sociale wetgeving wetten zo in elkaar heeft gestoken dat ‘overconsumptie’ onvermijdelijk was. Neem de WAO. Op de politieke agenda van de jaren 1980/90 stond de vraag hoe de verzorgingsstaat in stand kon worden gehouden onder het alsmaar toenemende beroep op de WAO. Bij een socialezekerheidsregeling gaat het altijd om een afruil tussen het bieden van hulp en het voorkomen van overmatig gebruik.
Bij de WAO stond het bieden van hulp overduidelijk voorop. De WAO-uitkering was genereus, terwijl de pensioenopbouw doorging. Bovendien, omdat de wetgever verzuimd had een sluitende definitie van arbeidsongeschiktheid te geven, was het niet zo moeilijk om je arbeidsongeschikt te laten verklaren. Werkgevers bleken de WAO ook vrij eenvoudig als een sociale afvloeiingsregeling voor onrendabele werknemers te kunnen gebruiken. De enquêtecommissie Buurmeijer had dit alles in 1993 al vastgesteld.
Regels maken het steeds ingewikkelder
De overheid zelf had niet altijd door dat haar regels invloed hebben op het gedrag van burgers. De ontwerper van de WAO in de jaren 1960, de toenmalige KVP-minister van Sociale Zaken Gerard Veldkamp (1921-1990), dacht dat het beroep op de WAO ongeveer gelijk zou zijn aan het beroep op de Invaliditeitswet. Deze wet, die nog uit 1913 stamde, bood karige uitkeringen in vergelijking met de WAO. Het beroep op de Invaliditeitswet was in die tijd ongeveer honderdvijftigduizend. Veldkamp dacht kennelijk dat arbeidsongeschiktheid objectief vast te stellen was.
Maar anders dan Veldkamp verwachtte, explodeerde het beroep op de WAO na de invoering in 1967. Wat de overheid dan meestal doet als het gebruik van een regeling onverwacht oploopt, is het opstellen van nieuwe regels. Die regels maken het stelsel meestal ingewikkelder, maar met twijfelachtig effect op het gebruik.
Politieke paniek
De WIA, die in 2006 de WAO verving, zou tot minder uitkeringen moeten leiden dan de WAO. De WIA stelde namelijk, anders dan de WAO, de activering van arbeidsongeschikten centraal. De wetgever was echter nog steeds niet in staat een heldere definitie van arbeidsongeschiktheid te geven. Dat betekende in feite dat de beoogde activerende werking van de WIA geheel in handen kwam te liggen van degenen die de WIA moesten uitvoeren: voornamelijk de verzekeringsartsen die de beoordelingen en herbeoordelingen van uitkeringsontvangers moeten doen.
Men verwachtte dat het beroep op de WIA veel lager zou uitvallen dan het beroep op de WAO. Dat was enige tijd ook het geval. Maar met recente UWV-cijfers kan worden uitgerekend dat bij ongewijzigd (toewijzings)beleid het totale aantal WIA-uitkeringen de één miljoen zal naderen in 2040 — dezelfde situatie die zich in 2000 bij de WAO voordeed en die toen tot politieke paniek leidde.
Jeugdhulp: decentralisatie leidde niet tot minder dure hulp
In 2015 decentraliseerde het Rijk de jeugdhulp naar de gemeenten. De gemeenten zouden met minder budget moeten toekunnen: zij stonden immers dichter bij hun eigen burgers en zouden daarom beter in staat zijn hen op hun ‘eigen kracht’ — dat is de officiële formule — aan te spreken. Burgers moesten leren begrijpen dat veel problemen met hun kinderen ‘normaal’ waren en daarom ook niet door de overheid hoefden te worden opgelost.
Sinds de decentralisatie zijn de kosten van de jeugdhulp echter meer dan verdubbeld. Gemeenten slaagden er dus niet erg in hun burgers van die zogenaamde normalisering te overtuigen. Een reden daarvoor was dat, net als bij de WIA, de overheid niet in de wet heeft vastgelegd welke criteria moesten gelden om voor overheidssteun in aanmerking te komen. Integendeel, de overheid nam in de wet op dat er voor gemeenten een ‘jeugdhulpplicht’ bestaat. Door die jeugdhulpplicht is het voor gemeenten vrijwel onmogelijk om ouders die jeugdhulp eisen, hulp te weigeren.
Ouders die een dergelijke weigering bij de rechter aanvochten, kregen namelijk vaak gelijk. Juristen hebben nu geconcludeerd dat gemeenten zelf die jeugdhulpplicht kunnen beperken, zoals Karen Poot onlangs ook op OpinieZ opmerkte. De gemeenten moeten dat echter wel zo doen dat rechters de formulering aanvaardbaar vinden. Zeker kleine gemeenten hebben niet de juridische capaciteit om dat voor elkaar te krijgen.
Een monument voor slachtoffers Jeugdzorg, maar geen spiegel voor het systeem
En waarom moeten eigenlijk 342 gemeenten afzonderlijk van elkaar het (juridische) wiel uitvinden, terwijl het Rijk duizenden juristen in dienst heeft? Zijn er van die duizenden juristen dan niet een paar in staat een juridisch waterdichte formulering te vinden die aangeeft wanneer gemeenten geen jeugdhulp hoeven te leveren? Kennelijk niet, want de wetgever verwacht dat de gemeenten wel kunnen wat de wetgever zelf niet kan, namelijk de jeugdhulpplicht afbakenen. De meeste gemeenten kunnen dat evenmin, zodat zij dure jeugdhulp moeten blijven leveren als daarom wordt gevraagd.
De professionals stonden en staan alleen
De Vries schrijft op blz. 154 van haar boek dat door het neoliberale uitgangspunt van efficiënt gebruik van middelen de professionals geen ruimte meer hebben om naar eigen inzicht en ervaring te handelen. Mijn ervaring — vooral bij de jeugdhulp — is een heel andere. Professionals moeten wel aan allerlei beleidsdoelen voldoen — bij de jeugdhulp is een doel mensen met (opvoed)problemen ertoe aanzetten op hun eigen kracht te vertrouwen — maar krijgen daarvoor geen instrumenten mee. In feite moeten zij zelf maar uitzoeken hoe zij de beleidsdoelen willen halen. Zij staan daarbij wel vaak onder druk van ouders die hulp eisen voor hun kind, aangemoedigd door de jeugdhulpplicht die de wetgever niet wil of kan afbakenen.
Bij de WIA moeten verzekeringsartsen er bij voorkeur voor zorgen dat zoveel mogelijk mensen die een aanvraag doen, zo min mogelijk in een uitkeringssituatie terechtkomen. De aanvragers zullen bij voorkeur juist wel in een uitkeringssituatie terecht willen komen, al was het maar om te voorkomen dat ze werkloos worden. Zij zijn daarbij in het voordeel omdat niemand — inclusief de wetgever — weet wat arbeidsongeschiktheid precies is. Voor verzekeringsartsen is het daarom moeilijk om aan het doel van de wetgever te voldoen.
.
Conclusie: politici kunnen niet neoliberaal zijn
De Vries en Woltring beweren dat onder invloed van het neoliberalisme uitkeringsrechten en -hoogten zijn beperkt (zie bijvoorbeeld blz. 149 van het boek van Woltring): burgers moeten meer zelf regelen. Ik schreef al dat het dan onbegrijpelijk is dat sinds 2015 meer hogere inkomens een beroep op jeugdhulp konden doen. Dat de wetgever sociale voorzieningen, zoals de WAO/WIA, geregeld probeert af te schalen is echter wel duidelijk. De motivatie kan alleen niet het neoliberale gedachtegoed zijn, want dan zou er slechts een minimumregeling zoals de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) zijn. De AAW is echter al in 1998 afgeschaft, terwijl de WAO toen gehandhaafd bleef.
Het motief voor afschaling bij de WAO/WIA en het willen beperken van de toegang tot jeugdhulp kan dus alleen maar zijn dat de wetgever er telkens niet in slaagt de instroom te beheersen. De Vries en Woltring ontkennen (impliciet) het bestaan van een onbeheersbare instroom in sociale regelingen. Het beter afbakenen van rechten en plichten van burgers (en uitvoerders) vinden zij dan kennelijk ook onnodig. Gezien de ervaringen uit het (recente) verleden lijkt mij dat, als afschalen en/of afbakenen wordt nagelaten, het beperken van rechten van burgers tot een minimumniveau onafwendbaar is.
|
OpinieZ bestaat dankzij u! Geen betaalmuur, geen subsidie — OpinieZ is gratis omdat lezers zoals u ons steunen. Iedere bijdrage helpt ons onafhankelijk te blijven. |
|
