De perfecte meerduidigheid van taal en identiteit

Onze auteur Peter van Duyvenvoorde heeft meegedaan aan de Anil Ramdas Essayprijsvraag van de Groene Amsterdammer. Het thema voor de prijsvraag is ontleend aan twee centrale begrippen in het denken van Anil Ramdas: identiteit en beschaving. Onderstaand essay is actueel en tegelijkertijd buiten de tijd. “Zoals het werk van Anil Ramdas ook oneigentijds is, en zoals zijn ideeën over identiteit actueler zijn dan ooit omdat multiculturele kwesties meer dan enig ander onderwerp mensen verdelen en beroeren.”

———-

I   Loslaten van de onnozelheid

Op de middelbare school ging ik in de pauze vooral met zwarte jongens om. Dat had verder geen speciale reden, het was gewoon zo gegroeid. Ik zag hen niet zozeer als zwarte jongens. Natuurlijk was ik me er wel bewust van, maar tegelijkertijd ook niet. Niet echt. Soms, even, een moment dat ik me er wel bewust van werd. Van mijn kant was dat nogal naïef, besef ik nu. We werden omringd door brede Van Nelle-rokende jongens die elkaars hoofd kaal schoren in de wc’s en onder een immer boze blik zwarte kisten met witte veters droegen. Regelmatig waren er vechtpartijen tussen hen en de Marokkaanse jongeren. (Hun veters waren meer anti-Islamitisch dan anti-zwart). De vrienden luisterden hiphop – maar dat luisterde ik ook, dus dat hadden we gemeen met elkaar. Zij speelden American football en basketbal, ik voetbalde.

Nu besef ik dat in dat kleine, subtiele verschil van sport, een groot verschil van identiteits-vorming schuilging. Waar ik me identificeerde met Nederlandse rolmodellen of toch op zijn minst witte rolmodellen, Eminem, bijvoorbeeld, waren hun voorbeelden vooral Afro-Amerikanen, Nas, Common, Michael Jordan. De betekenis van dit verschil in sport en rolmodellen begreep ik toen veel minder. Ik legde ook niet echt de link dat mijn schoolvrienden die zwarte kisten pijnlijk konden vinden. Ik begaf me overal veilig tussen. Het huidige debat heeft die naïviteit weggenomen. Gelukkig maar. Ignorance is bliss, geruststellend, maar ook wel een beetje onnozel.

Moreel besef
Dat besef is iets van de afgelopen vier jaar. Het is een beetje als een tekening van een boom die na een aantal seconden een oude vrouw blijkt te zijn. Het duurt even alvorens je het ziet, maar als je het eenmaal ziet kun je het niet meer ontzien en vaak ook niet begrijpen dat je het pas zo laat zag.

Een vrouw die ik eens kende, half Indonesisch, was die tekening. Ze vertelde me dat haar broer als kind in bad heel hard over zijn huid schrobde met een spons. Toen zijn moeder vroeg waarom hij dit deed, antwoordde hij dat hij zijn kleur af wilde schrobben. Dit volkomen apolitieke verhaal dat ten diepst de identiteit raakt, maakte me bewust van het verschil in de existentiële situatie van een minderheid.

De ervaring van de broer van de half Indonesische vrouw is ongetwijfeld een ervaring van tal van jongens en meisjes van kleur op jonge leeftijd. Al dit soort ervaringen hebben er toe geleid dat identity politics alomtegenwoordig is. Alweer. In de jaren ’90 was het een thema, waarin onder andere Stephan Sanders en Anil Ramdas een centrale positie in namen, toen verdween het weer even van de agenda, maar nu is het weer helemaal terug. Iedere identiteit zoekt naar een mogelijkheid om zichzelf ten volle gekend te weten in de systemen en in het gebruik van taal. Het is voor minderheden een poging om een plaats op het toneel op te eisen die gelijkwaardig is aan de positie van de witte man. Nastrevenswaardig doel, belangrijk ook, maar een makkelijke opgave is het niet.
 
 
II   Jezelf op het spel zetten

Identity idealisten stuiten op sterke externe tegenstand – Trump is daar momenteel misschien wel het symbool van. Tegelijkertijd, wat is hij anders dan een identity politics voor minderheden omgeslagen in zijn tegendeel: identity politics voor witte mensen? – In zichzelf is het echter al moeizaam genoeg. Want wat is een identiteit nu eigenlijk? Daar is bijna geen antwoord op te geven. Ik weet wat een identiteit is, ik heb er namelijk één. Zodra ik hem moet verwoorden, doet ieder woord mijn identiteit te kort. Ik ben katholiek, filosoof, sociale klimmer, Nederlander, wit, schrijver, dichter en wat niet meer. Er komen nog veel meer termen in me op. Ieder woord is ontegenzeggelijk waar, maar mijn identiteit weergegeven heb ik niet. Niet volledig. Niet zoals ik hem weer zou willen geven. De identiteit vatten, is hem ook kwijtraken. Net als dat de liefde willen vatten, inhoudt dat we hem kwijtraken. Zoals Montaigne zegt over de liefde tussen hem en zijn beste vriend: omdat hij, omdat ik. Met andere woorden: al het andere zou tekort schieten voor onze vriendschap. Of voor mijn identiteit: omdat ik.

De matador
Enige tijd geleden ontmoette ik een vrouw met wie ik begon te daten. En niet lichtzinnig, he. Bijzondere vrouw. Mooi, dat ook nog. Gedoe natuurlijk. Je moet opeens jezelf aan de ander presenteren in al die onzekerheid. Het is het ongemakkelijke aftasten, het continue onthullen en verhullen, gedreven door verlangen en angst. Angst omdat in deze fase precies dat op het spel komt te staan: om elkaar te ontdekken, moet je als een matador de arena betreden, jezelf op het spel zetten, maar zoals de matador maar al te goed weet: hier ligt de dood altijd op de loer. In het jezelf op het spel zetten in al die fragiliteit waarin je beetje bij beetje elkaars identiteit aan de ander presenteert, kan één van de twee plotseling besluiten je op de hoorns te nemen en al bloedend achter te laten.

Dat wordt nu juist vermeden in de identity strijd. Door alle terminologie, door alle reduceringen, wordt niemands identiteit op het spel gezet, want ieders identiteit wordt ontkend. Dan kan het, lijkt me, ook niet anders zijn dat er geen winst te behalen valt. Want winst komt alleen degene toe die de stier het hoofd durft te bieden.

Fastfood
Terwijl ze identiteit juist wel centraal stellen in het racisme/klasse/genderdebat. De Identity idealisten – in de brede zin van het woord -, zijn van mening dat taal een gevolg is van de macht van de witte, westerse man, met als gevolg dat er geen recht wordt gedaan aan eenieder die dat niet is. Zo wordt bijvoorbeeld gestreden om naast “he” en “she” ook het voornaamwoord “xe” te gebruiken voor mensen die zich geen man noch vrouw voelen. De taal moet zo uitgebreid en aangepast worden dat ze onmiddellijk recht doet aan iemands identiteit. Fastfood, snel en makkelijk.
 
 
III   Taal en identiteit laten zich niet vulgariseren

Taal is niet makkelijk. Een taal scheppen die zo uitgebreid en eenduidig is opdat iedereen zich erkend voelt, kan niet anders dan een vulgarisering van de taal inhouden. Taal wordt dan zo plat gemaakt dat alles één op één betekenis krijgt. Dit is volkomen onmogelijk voor taal, gelukkig maar. Taal komt niet voort uit afspraken, het is geen sociaal contract dat we sluiten – dat is geprobeerd met Esperanto, ook Russell en Chomsky hebben geprobeerd tot een kern van de taal te komen, George Steiner noemt hen niet geheel ten onrechte dan ook vijanden van de taal, precies wat eigen is aan taal proberen zij op te heffen, ze willen haar overmeesteren. Tevergeefs; taal is complexer, taal leeft, groeit, sterft, ontwikkelt, verwart, verbloemt, verhult, onthult.

Deze meerduidigheid van taal speelt continu: “Ik heb het warm” kan betekenen: open de ramen, kan betekenen: geef me wat water, kan betekenen: ga verder bij me vandaan zitten. En het kan ook gewoon “ik heb het warm” betekenen. Het is altijd contextafhankelijk, persoonsafhankelijk en vraagt altijd om een interpretatie.

Taal heeft een macht die buiten ons ligt en schiet tegelijkertijd onvermijdelijk tekort in het vatten van de werkelijkheid en meerlagigheid van onze identiteit. Willen we dat wel doen, moet ofwel de taal platter worden – dan kan “ik heb het warm” nooit meer iets anders betekenen dan precies die zin – ofwel de identiteit. Of beide.

De plantage
De Quincy Gario’s, Sylvana’s en Gloria Wekkers van het moment hebben een notie van identiteit die niet zoveel lagen lijkt te kennen. Er is de witte identiteit, de donkere identiteit. De eerste bestaat uit de noties van kleurenblind, privilege, koloniaal, daderschap. De tweede uit de noties van onderdrukt, slachtofferschap, onrechtvaardigheid. Dat is het. Nog voordat ik mijzelf ben, ben ik de witte man. We treden elkaar tegemoet met honderd jaren geschiedenis op onze schouders.

Wil ik laten zien dat ik meer ben, moet ik hen dat maar eens gaan bewijzen – vaak met als kritiek dat ik dan de werkelijkheid ontken. Ik val samen met hun idee van mij. Hoe kunnen zij dan, wanneer ze mij zien als wit, dader, koloniaal, mij werkelijk ontmoeten in alle complexiteit en rafeligheid van de persoon die ik nu eenmaal ben? En daarbij: als zij denken dat ik, doordat ik wit ben, hen benader met tal van vooroordelen alsof we gisteren nog op de plantage stonden, hoe kunnen we elkaar dan ontmoeten? Ze nemen me niet alleen mijn subjectiviteit af door mij te objectiveren, maar ook nog eens door henzelf in mijn perceptie van hen te objectiveren. Een soort dubbele identity predestinatie. Zoiets.

En voor de rechtse equivalent geldt hetzelfde, he. De moslim is dé moslim, de Nederlander is dé Nederlander en de cultuur is dé cultuur. Ieder individu valt voor hen samen met zijn toevallige geworpenheid. Niemand kan daaraan ontsnappen. Wie je bent is tot welke groep je behoort. Het ik is niets anders dan onderdeel van het men.

Machtige onmachtige taal
De identity idealisten zijn echter nogal contradictoir – voor de andere groep valt nog te zeggen dat ze tenminste niet pretendeert iets anders te doen dan dat ze doet. Aan de ene kant nemen ze over van het postmodernisme dat taal de werkelijkheid construeert en dat om die werkelijkheid te veranderen, taal moet veranderen. Eveneens neemt ze over dat taal nooit de werkelijkheid kan vatten, nooit helemaal, nooit zonder meer – daarom moet ze nu juist aangepast worden. Dat leidt tot deze slotsom: taal heeft macht om de werkelijkheid construeren, maar heeft deze nooit in zijn almacht.

Daarom is het onmogelijk om de taal zo te veranderen dat ze volledig recht kan doen aan de complexiteit van de werkelijkheid, want die werkelijkheid ontglipt de taal nu juist. Taal is begrensd, zelfs al zou taal aan honderd genders en zulks kunnen voldoen, dan nog zullen mensen zich nooit helemaal gekend weten door taal. Dat is wat taal is, een hulpeloos hulpmiddel dat het enige wat we hebben en tegelijkertijd alles is wat we hebben.

Postmodern utopisme
Dit besef staat centraal in het postmodernisme: de rede, taal, de mogelijkheden van de mens, dat loopt allemaal zo een vaart niet. We kunnen de werkelijkheid niet beheersen. Dit zou op moeten roepen tot een nederige houding. In plaats daarvan lijkt het zich tot een utopisme te ontwikkelen. Identity politics: postmodern utopisme. Dat lijkt me nogal een contradictie.

In taal kan ik me nooit ten volle erkend weten. Het is in het gelaat van de ander, in de ontmoeting dat ik mij gekend kan weten. Natuurlijk ligt dit complexer: een verandering van neger naar donker/zwart persoon of persoon met kleur is een vooruitgang. Zo valt ook de term “sans papiers” duizendmaal te verkiezen boven de Nederlandse term “illegaal”. Desalniettemin moeten we de onophefbare tekortkoming en meerduidigheid van taal accepteren.
 
 
IV   Meerduidige identiteit

Identiteiten zijn ook nooit eenduidig. Een persoon samen laten vallen met zijn vermeende privilege, zijn huidskleur, zijn sociale klasse is een verplattisering van die persoon die hem iedere menselijkheid en vrijheid afneemt. Wat je zegt is: jij bent altijd zo…. Of: zie je, had ik het niet gedacht… Daarmee eigen je jezelf de ander toe. De ander krijgt geen open ruimte om anders te handelen. Hij raakt gedetermineerd en zelfs als hij toch anders handelt, is het nadat het “jij bent altijd zo…” is uitgesproken een contra-handeling geworden. En erger nog, in dit voorbeeld is het het eigen verleden van de persoon die hem determineert in de blik van de ander. In het huidige debat determineren we elkaar niet middels het eigen verleden van die persoon, maar middels al die honderden jaren. Hoe kan ik mezelf als eindig, klein individu tegen deze eeuwigheidsaanklacht verweren? In deze benadering nemen we elkaar onze vrijheid af. Als we dit doen, kunnen we inderdaad stellen dat de anderen de hel zijn.

Ik ontmoette eens een vrouw in een museum, we wisselden nummers uit. Ze voegde me van tevoren toe op Facebook en wist daardoor dat ik katholiek was. Nog voor het eerste drankje had ze voor zichzelf al een beeld gevormd: zo en zo is hij. De hele avond bestond eruit dat ik mezelf verdedigde: nee, ik ben niet anti-abortus, nee, ik ben niet anti-homoseksueel, nee, ik ben niet anti-pil. De romantiek was gauw verdwenen. Soms spreken we elkaar nog, en nog steeds voel ik een bepaalde drang om de meerduidigheid van mijn katholicisme te laten zien.

Uiteindelijk hebben we elkaar nooit werkelijk kunnen ontmoeten. We zagen niet elkaar, maar het beeld dat we zelf hadden van die ander. De spontaniteit raakte volkomen verloren. Overigens, ik heb helemaal niet gecontroleerd of zij mij nog wel associeert met dat katholicisme, ik neem het aan, net als dat de identity idealisten aannemen dat ik hen zie alsof we gisteren nog op de plantage stonden. In plaats van die a priori aanname te bevragen, houden ze hem gaarne in stand.

Overspannen ontmoeting
Die spontaniteit is ook wat we verliezen in de politisering van identiteit. Er is morele vooruitgang, er is winst, klopt. Maar we raken wel een mogelijkheid tot werkelijke ontmoeting kwijt. Als ik nu de tram in stap en ik zie een donker persoon, ga ik er naast zitten. Ik wil diegene niet het gevoel geven niet naast diegene te zitten.

In dit essay heb ik zwart, donker en personen van kleur gebruikt. Niet onnadenkend. Ik weet oprecht niet wat nu wel de juiste term is. Laatst schreef iemand in de Volkskrant over Afro-Nederlanders. Leek me een goede term, maar vallen Surinamers daar nu wel of niet onder? Ik heb deze vraag aan zes of zeven mensen gesteld: welke term is nu de correcte term? Iedereen zei iets anders. Ik durfde het niet aan de schrijver van het stuk over Afro-Nederlanders te vragen – we kennen elkaar persoonlijk -. Hij is immers meer dan zijn huidskleur. Maar als ik het hem niet vraag, leg ik het primaat ook weer bij zijn huidskleur…

Toen ik een maand of vijf, zes geleden een verjaardag had van een zeer dierbare vriend, was daar een aantal zwarte mensen aanwezig – toegegeven, de donkere mensen die ik persoonlijk ken, zijn op één hand te tellen – en ik was me continu bewust van het feit dat het zwarte mensen waren. De onnozelheid van het schoolplein is verdwenen. De fase waarin we nu zitten heeft als gevolg dat ook de ontmoeting is verdwenen. Hoe kan ik die man zien voor wie hij is als ik me continu bewust ben van zijn huidskleur en alle mogelijke onbedoelde fouten die ik kan maken?

Toenadering
Dat is een noodzakelijke fase van de morele ontwikkeling waarin we ons nu bevinden; wel een fase waar we voorbij moeten zien te komen. Voorbij het morele ontwaken van de huidige multiculturele samenleving moet er iets nieuws komen. Dit kan niet het einde zijn. Indien dat namelijk wel het geval is, betekent dit een veel grotere vervreemding dan een toenadering. Uiteindelijk is dat waar we naar zoeken, nietwaar? Een toenadering tussen die groepen en al die individuen in die multiculturele, diverse wereld.
 
 
V   Na de confrontatie

Wat wacht er na het morele ontwaken? Gloria Wekker lijkt daar weinig van te vinden. De witte man is schuldig en blijft dit ook. Dat is zijn identiteit. Dat kan echter niet het laatste woord zijn. Draait het om vergeving? Moet er een manier zijn van de witte mens tot boetedoening? Tot een op zijn schouders nemen van de schuld uit het verleden, ook al kan hij daar onmogelijkheid schuldig aan zijn? Ik heb het niet gedaan, en toch neem ik de schuld op mijn schouders. Zoals ik ooit daden heb begaan waarvan ik toen niet wist dat ze slecht waren, maar in een nieuw moreel licht kan beseffen dat ze ter kwader trouw waren. Ik kan dan zeggen: ik wist toen niet beter, jammer dan. Of ik kan zeggen: ook al wist ik toen niet beter, toch neem ik ze in het licht van dat nieuwe morele heden op mijn schouders.

Schuldige schouders
Als ik dat doe, het verleden van mijn voorouders op mijn schouders nemen, volledig ter goeder trouw, en ik vraag vergeving en ik ontvang dat dan, is dat de manier om voorbij het kleur-bewustzijn te komen? Hoe dan? Van beide kanten: ik krijg niet het idee dat de identity idealisten barmhartigheid hoog in het vaandel hebben staan. Ik krijg ook niet het idee dat de witte mensen erg bereid zijn om die schuld op hun schouders te nemen; toch moeten we daar iets mee. Het alternatief is namelijk verharding en vervreemding. Om ons heen nemen al die ideologen steeds meer hun positie in de loopgraven in, en waar zal dat toe leiden? Is het pathetisch om te zeggen dat er een mogelijkheid ontstaat dat de wereld zal branden en smeulen onder het geschreeuw van al die ideologen? Misschien wel, toch voelt het soms zo.

Imperfectie
Uiteindelijk ligt het laatste woord niet zozeer in een verandering van taal of identiteit, maar in de houding. In het besef dat die perfecte taal nooit gehaald kan worden, de notie dat identiteiten nooit helemaal te vatten zijn, de notie dat dit, dat samenleven met elkaar, altijd moeizaam zal blijven, dat die perfecte wereld nu eenmaal ver weg is. Nooit zullen al die verlangde idealen perfect tot uiting komen. Taal en identiteit zullen altijd met elkaar in conflict blijven. We krijgen het nooit helemaal rond. Die perfecte wereld, dat loopt zo een vaart niet. We bevinden ons op een schip en de haven waar we zo graag terecht willen komen om het schip te herbouwen en ons te laven aan jenever en dames van lichte zeden, lijkt precies dezelfde afstand van ons te verwijderen, als dat wij er naartoe varen. Die haven is onze hoop, maar we zullen er waarschijnlijk nooit arriveren. Dit betekent niet dat we moeten stoppen met varen, geenszins. Het betekent alleen dat we moeten varen in een besef van de onhaalbaarheid van de haven.

Het waarom
Eerst de onnozelheid van het schoolplein, dan de overbewuste morele ontwaking, daarna de spontaniteit van het schoolplein gelouterd door de nieuw verkregen moraliteit. Van onwetendheid naar afstand naar verzachting – in het besef van het niet rond kunnen krijgen. Dit kan alleen maar door de waarom-vraag. Waarom ben je katholiek? Dan had de museum-vrouw mij tot een vrij mens gemaakt waarin de meerduidigheid van mijn identiteit een plaats kon krijgen. Die mogelijkheid ontstond echter niet, zoals die nu ook niet kan ontstaan tussen al die verschillende gepolitiseerde groepen. Juist zij moeten naar het waarom gevraagd worden: het waarom is de vraag die ideologieën en hun vaandeldragers zo slecht verdragen.

Het waarom is als water dat door alle verstarring breekt. Het is de fluistering die ideologisch geschreeuw tot stilte maant en beschaving tot spreken gebiedt. En in beschaving ligt, paradoxaal want dat is nu juist ook het éne dat dé beschaving altijd op afstand houdt, vrijheid. In vrijheid krijgt de meerduidigheid van taal en identiteit een plaats. En alleen de hun toebehorende meerduidigheid in ere houden, brengt iets van de beschaving in ons midden.

De artikelen op OpinieZ zijn gratis voor u te lezen. U kunt ons steunen door dit artikel te delen op twitter-icon Facebook, twitter-icon Twitter, twitter-icon LinkedIn of andere sociale media.

Zie de buttons onder de advertenties.

Advertenties