Advertenties

Het wetenschappelijk drijfzand van het racismeverwijt

Verschillen tussen individuen zijn veel groter dan die tussen groepen

 

Ieder biologisch organisme dat niet is staat is te discrimineren, is geen lang leven beschoren. Het maken van onderscheid is een absolute noodzaak om te overleven. Discrimineren is dus een rationele levenshouding. Hoe komt het dan dat het begrip discriminatie in een slechte reuk is komen te staan?

Veel van de verwarring valt terug te voeren op een primitieve interpretatie van de Grondwet. Artikel 1 van die Grondwet luidt: Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Ras

Dat klinkt als duidelijke taal, maar is het dat ook? Een ernstig probleem met de Grondwet is dat allerlei gehanteerde begrippen niet nader gedefinieerd worden. Dit leidt tot ernstige problemen op het gebied van duiding van diezelfde Grondwet. Laten we daarom de discussie beperken tot het begrip ras. Wat bedoelt de Grondwet met ras?

Ras is een biologisch begrip en voor een goed begrip van ras is enige kennis van de genetica, de erfelijkheidsleer, niet onbelangrijk. Genetica is onderdeel van de natuurwetenschappen en daarmee het onderwerp van veel serieuze studie. Wat vertelt de moderne natuurwetenschap ons? Hoe wordt het begrip ras gedefinieerd? Is de formulering van de Grondwet van Thorbecke die dateert van 1848 in het licht van de huidige natuurwetenschap nog wel ter zake?

Onduidelijk begrip

Laten we eerst spreken over honden en hondenrassen, temeer omdat dat onderwerp heel wat minder controversieel is dan een discussie over mensenrassen. Honden komen wereldwijd voor en vertonen een enorme variatie in uiterlijke maar ook karakterologische verschijningsvormen. Het is gebruikelijk om op basis van deze verschillen te spreken van hondenrassen, hoewel sommigen liever van soorten spreken. In elke geval kunnen honden die tot verschillende hondenrassen behoren, nakomelingen voortbrengen die zelf ook weer levensvatbare nakomelingen kunnen produceren.

Dat er gezien de enorme verschillen in bijvoorbeeld afmetingen tussen hondenrassen qua voortplanting wat overduidelijke technische problemen bestaan, nemen we maar voor lief. Het is in dit verband goed om te beseffen dat paarden en ezels samen wel nakomelingen kunnen voorbrengen, maar dat die vervolgens zelf steriel zijn. Men zou dus op basis van die overweging kunnen betogen dat alle honden in essentie tot één ras behoren, maar dat paarden en ezels verschillende rassen vertegenwoordigen. Op dit punt is de literatuur verre van duidelijk.

Menselijke verschillen

We verleggen nu de discussie naar wat gevoeliger terrein en kijken hoe het met mensen zit. Bij mensen bestaat er een grote variatie in uiterlijke verschijningsvormen die een genetische basis heeft. Huidskleur, lichaamslengte, maar ook het al dan niet aanwezig zijn van bepaalde enzymen om de spijsvertering te regelen, of de gevoeligheid voor bepaalde ziektes kunnen per populatie enorme variatie vertonen.

Men ontkomt niet aan de conclusie dat verschillende populaties van mensen zeer sterk kunnen verschillen in hun uiterlijke, maar ook in hun minder direct waarneembare biochemische verschijningsvormen.

Het is erg onverstandig die genetische verschillen tussen populaties te ontkennen of te negeren, bijvoorbeeld als het gaat om de predispositie voor bepaalde ziektes. Niettemin kunnen leden van heel verschillende populaties van mensen levensvatbare niet-steriele nakomelingen voortbrengen. Overigens zijn de genetische verschillen tussen mannen en vrouwen doorgaans veel groter dan die tussen allerlei populaties.

Als populaties van mensen sterk kunnen verschillen in hun uiterlijke en ook minder direct waarneembare biochemische eigenschappen, rijst natuurlijk de vraag of er ook significante verschillen in hun intellectuele en cognitieve eigenschappen bestaan. Vanuit de natuurwetenschap gezien is het stellen van die vraag volkomen legitiem en verdient die vraag in principe een antwoord.

De (on)zin van IQ-metingen

Stel dat we de intelligentie of een afgeleide daarvan, namelijk het IQ, van een populatie mensen willen meten. Dat soort tests wordt ontworpen, niet door natuurwetenschappers, maar door sociale wetenschappers. En wat er vervolgens onvermijdelijk uit komt, is dat er verschillen in IQ tussen verschillende populaties gemeten worden. Weliswaar geldt in de natuurwetenschappen dat meten ook weten is, maar dat geldt uitsluitend als de gebruikte meetmethode boven alle wetenschappelijke kritiek verheven is.

Als we het IQ van populaties mensen gaan meten, ontstaan er verschillende normale verdelingen per populatie met toppen die hoogstwaarschijnlijk niet exact samenvallen. Voor de oppervlakkige toeschouwer zijn er dus verschillen in gemiddeld IQ tussen populaties, maar hoe significant zijn die? Is dit misschien een artefact van de meting, en is de meetmethode boven redelijke kritiek verheven? En dan vergeten we voor het gemak dat het gemiddelde IQ van een groep niets zegt over dat van een individu.

Natuurlijk zijn de rapen pas echt gaar als juristen zonder enige biologische kennis hun eigen willekeurige interpretatie aan het begrip ras gaan geven.

Culturele factoren

Populaties van mensen hebben zich over een lange periode ontwikkeld zonder dat die populaties enige vorm van contact met elkaar hadden. In genetische zin bestaan er dus aanmerkelijke verschillen die niet uitgemiddeld zijn door menging van populaties. Veel verschillen hebben een genetische basis, maar ook veel verschillen hebben een culturele achtergrond. In de praktijk is het voor de sociale wetenschappen erg lastig om deze genetisch en culturele invloeden op een verantwoorde manier te scheiden.

Veel IQ-tests zijn dan ook dusdanig verbonden met de cultuur van de ontwerper van de test, dat het afnemen van die test bij iemand afkomstig uit een heel andere cultuur niet bijzonder zinvol is. Een Australische ‘aboriginal’ bezit alle culturele bagage die nodig is om in de Australische outback te overleven. Een leven binnen de poolcirkel zou hem heel wat moeilijker afgaan. Voor een Eskimo geldt ‘grosso modo’ het omgekeerde.

Geen rationele basis

Hoewel er dus aanzienlijke verschillen bestaan tussen menselijke populaties, en het waarschijnlijk is dat dergelijke verschillen ook bestaan op het cognitieve en intellectuele vlak, lijken de sociale wetenschappen onvoldoende bij machte om deze verschillen overtuigend toe te schrijven aan ‘nature or nurture’. Zolang dat het geval is, zal er onduidelijkheid blijven bestaan over de vraag of de gemiddelde cognitieve verschillen tussen menselijke populaties en rassen al dan niet significant zijn. Dat laat overigens onverlet dat juist culturele verschillen gigantisch en welhaast onoverbrugbaar kunnen zijn.

Conclusie

De conclusie moge duidelijk zijn.

Genetische verschillen tussen populaties zijn belangrijk en kunnen niet genegeerd worden. Overigens zijn de genetische verschillen tussen mannen en vrouwen veel groter dan die tussen populaties. In hoeverre vervolgens gemiddelde intellectuele en cognitieve eigenschappen van populaties genetisch of cultureel bepaald zijn, is een vraag van heel andere orde. Die vraag is door de sociale wetenschappen vooralsnog niet bevredigend beantwoord. In elk geval kunnen individuele verschillen veel groter zijn dan die tussen populaties. Discussies over IQ-verschillen tussen rassen zijn daarom weinig zinvol.

Betekenisloos

Mochten alle mensen biologisch tot hetzelfde ras behoren (en daar zijn goede argumenten voor), dan is bovendien het concept van racisme betekenisloos. Het gebruik van racisme als scheldwoord diskwalificeert dus slechts de gebruiker ervan.

Over de auteur

Kees de Lange
Kees de Lange
Prof. Dr. C.A. (Kees) de Lange studeerde wis-, natuur- en sterrenkunde aan de UvA en promoveerde in de Theoretische Chemie in Bristol, UK. Hij is emeritus hoogleraar fysische chemie en chemische fysica aan zowel de UvA als de VU. Zijn research betreft atmosferische chemie en fysica, en magnetische resonantie, alsmede het ontwikkelen van complexe fysische modellen. Zijn onderzoek is vastgelegd in enige honderden publicaties. Hij is tot op de huidige dag actief in wetenschappelijk onderzoek. In de periode 2011-2015 was hij als een van de zeer weinige bèta’s lid van de Eerste Kamer.
Advertenties

Reageer op dit artikel

3 Reacties op "Het wetenschappelijk drijfzand van het racismeverwijt"

Geef uw reactie. Er wordt gemodereerd.

  Abonneren  
nieuwste oudste meest gestemd
Abonneren op

Beste Kees,

Uw conclusie “Discussies over IQ-verschillen tussen rassen zijn daarom weinig zinvol”, is bezijden de kwestie.

Temeer daar u zelf beweert dat genetische verschillen tussen populaties belangrijk zijn en niet genegeerd kunnen worden. Wel – het zal u bekend zijn, dat populatie betrekking heeft op een “aselecte groep individuen van een bepaald soort, die zich op een bepaald moment in een bepaalde ruimte of op een bepaalde plaats bevinden ras valt daar ook onder)”. Statistische omschrijving: “verzameling van individuen/objecten, waarvan men bepaalde aspecten wil onderzoeken”.

IQ is [ook] genetisch!
Over het percentage is geen overeenstemming: methodoloog A.D. de Groot, uitstekend thuis in de Methodenleer der Sociale Wetenschappen en de signifische begripsanalyse, verklaard voorstander van de empirische cyclus: observatie, inductie, deductie, toetsen, evaluatie, hanteerde het percentage 80. Desbetreffende wetenschappelijke literatuur vermeldt ook 55 percent.

Hoe het ook zij IQ is voldoende genetisch om uw conclusie met betrekking tot rasverschillen te ontkrachten. Of, hoe heet dat postmodernistisch ook weer: nuanceren?

Uit de aard van dit forum zullen veel lezers de/mijn ongepastheid accentueren. Politiek dakloos heb ik daar geen enkel bezwaar tegen. Wat meer zegt is dat ik als zoon van een neger geen moeite heb met aanzwengelen van een ‘gentlemen debate’.

Dat op allerlei indexen vanwege erkende internationale gremia de score van ‘het land mijns vaders’ (Afrika beneden de Sahara) in ongunstige zin opvalt, baart mij zorgen. Vergeleken met Asians en Europeans. In Amerika prijkt de groep waartoe ik qua uiterlijk behoor roemloos onderaan. Uitzonderingen daargelaten.

Iedereen heeft een vermoeden, maar ‘geen zichzelf respecterende (mede)burger durft buiten klimatologische, geografische, historische en wat-al-net-meer kaders te kleuren. Out of the box denken op dat vlak? Are you kidding me? Hitler, Mussolini, Stalin c.s. – ze liggen allemaal op de loer. Althans als ik de opinieleiders in hun waarheid laat.

Het wordt tijd om “ALLE MENSEN ZIJN ONGELIJK”, een verhelderend boekje van een wereldberoemde emeritus hoogleraar te herlezen.

Vriendelijks,

Bill

Hoewel ik het eens ben met het artikel mist het een beetje de pointe van het racismeverwijt wat mij betreft. En dat is drieledig:
1. Stel dat vast komt te staan dat “Aziaten” gemiddeld genomen ‘slimmer’ zijn dan “Kaukasiërs”. Dan zegt dit nog steeds helemaal niets over een individuele Aziaat die je op straat tegenkomt, zoals Kees ook aangeeft. De waarde is daarmee beperkt.
2. Belangrijker is dat een verwijt van racisme meestal betekent dat een ras (of groep) institutioneel wordt achtergesteld of minder rechten heeft. Nu is er overduidelijk geen sprake van institutioneel racisme in Nederland (integendeel!), maar wordt het discriminatieverbod uit de grondwet in toenemende mate gezien als een bepaling die ook horizontaal werkt (tussen bedrijven en burgers, en tussen burgers onderling), in plaats van alleen verticaal (tussen overheid en onderdaan).
3. Dit wordt nog verergerd door het racismebegrip zo ver op te rekken dat voorkeuren er ook onder vallen. Als ik als blanke liever naast een blanke in de bus zit, met een blanke naar bed ga, met een blanke werk of met een blanke trouw of wat dan ook kan dat een gewone voorkeur zijn, of een dom vooroordeel, maar het wordt veel te snel in de racisme-hoek geduwd. Dit terwijl er, de VN-definitie van het begrip indachtig, sprake moet zijn van het (willen) schenden van de (uitoefening van) rechten van een iemand anders. Daar is niet snel sprake van.

In het Onderwijs wordt al gesproken over discriminerend lezen. Kees heeft (zoals heel vaak) volkomen gelijk. Het woord discriminatie heeft haar ware betekenis verloren.