UvA bedrijft wetenschap in dienst van de jihad

Het laatste artikel van Andreas Kouwenhoven in een drieluik over cyberjihad in NRC was, op zijn zachtst gezegd, nogal spraakmakend. Hij onthulde hoe Aysha Navest, de eerste auteur van een verkennend onderzoek naar IS-huwelijken op het forum Marokko.nl sympathieën koesterde voor IS en uitspraken deed die kunnen worden gekwalificeerd als jihadistisch.

In principe zou deze nogal problematische bevinding afdoende reden moeten zijn om bij het onderzoek in kwestie zeer grote vraagtekens te plaatsen. Temeer daar ook de methodiek niet wetenschappelijk verantwoord lijkt en de conclusie mogelijk voordelig kan uitpakken voor jihadbruiden die terugkeren uit het kalifaat. Dat zou je verwachten. Maar nee.

Wetenschappelijk
Het enige gevolg dat het artikel van Kouwenhoven lijkt te hebben, volgens een uitgebreide reactie, gepubliceerd door de UvA persvoorlichting, is dat de UvA voornemens is om “enkele externe deskundigen op deze casus te laten reflecteren”, zodoende “de wetenschappelijke discussie over de gebruikte methodologie in het onderzoek te stimuleren”.

Een debat over de vraag of whatsappen kan worden beschouwd als een valide wetenschappelijke methode lijkt me sowieso noodzakelijk, maar nauwelijks het voornaamste probleem, al zien de mede-auteurs dat kennelijk anders. Het autoriteitsargument “er zijn talrijke voorbeelden van gevestigde antropologen, die betrokken zijn bij hun onderzoeksgroep of er zelf deel van uitmaken”, komt vrij absurd over, aangezien het in dit geval IS betreft.

Dissociatie
Het ontgaat me derhalve ook hoe Navest “meermaals expliciet” kan verklaren “geen sympathie te hebben voor gewelddadige jihad”, terwijl IS juist de belichaming is van radicale politieke islam én gewelddadige jihad, maar dat zegt wellicht meer over mij. Of niet. Het fenomeen van dergelijke dissociatie van het geweld wordt namelijk wel als bestaand fenomeen erkend in voetnoot 21 van het gepubliceerde artikel, maar dat zou dan eigenlijk enkel betrekking behoren te hebben op de onderzochte groep en niet op de onderzoeker, lijkt me.

Naast deze vorm van dissociatie bestaat er ook nog het dissociëren van de maatschappij waarin je leeft. Iets dat als indicatief wordt beschouwd in het radicaliseringsproces. Een voorbeeld daarvan zijn de in het artikel genoemde vrouwen, die aangaven dat ze zich na het dragen van gelaatsbedekkende kleding niet meer geaccepteerd voelden en daarom vertrokken. Een ander teken is associëren met anderen die ook radicale denkbeelden aanhangen.

Implicaties
In dat licht is voetnoot 10 in het gepubliceerde artikel, dat Navest “zelf-identificeert als een devote moslima en reeds bestaande banden had met verschillende van de gebruikte contacten, al zelfs voor ze vertrokken naar Syrië”, op zijn minst zorgwekkend, dunkt me. Het wordt echter omschreven als “bijdrage om wat vertrouwen te winnen” en als handige ingang. De aard van het contact dat ze had, lijkt me, ook gezien het vermeende forumgebruik, nogal relevant.

Bovendien heeft het nog een aantal implicaties. In de reactie van de UvA staat dat de onderzoekers wilden voldoen aan het ethische “do no harm” principe, door niet de echte persoonsgegevens van de contacten te vragen. Kan voldoende worden uitgesloten dat Navest deze gegevens niet heeft uit haar bestaande contacten? En als er wordt gesteld: “we hebben overigens ook verdere contextuele informatie over betrokkenen en hun onderlinge relaties”, heeft Navest daar zichzelf dan ook in opgenomen?

Propaganda
En dan rest nog een kanttekening bij de conclusie dat het onderzoek een ander narratief en nieuw inzicht verschaft in de mogelijke beweegredenen van vrouwen die afreizen naar het kalifaat. De whatsappers mogen dan wel geen high-profile social–media-propagandisten zijn, maar het willen benadrukken van het alledaagse leven in de Islamitische Staat als ideaal, werkbaar en alledaags, is ook een reeds beproefde vorm van propaganda.

In 2015 verscheen bijvoorbeeld al een artikel in Wall Street Journal over hoe IS wil laten zien dat ze Irak en Syrië kunnen besturen. Valt iets als regulering van huwelijken, zoals juist in dit onderzoek werd uitgelicht, daar ook niet onder te scharen? Deze mogelijkheid lijkt niet eens overwogen te zijn.

Ik denk dat de UvA het beste een onafhankelijk team kan inhuren dat zich kan buigen over veel meer dan enkel methodiek. En ben ook erg nieuwsgierig hoe het door het peer-review-proces is gekomen. We zullen zien. Alhoewel ik na de Stapeltjes, Vonkjes en de Wekkeriaanse dekolonisatiegekte niet eens zeker weet of ze nog wel in staat zijn om zaken adequaat af te handelen.

Advertenties