Vreemde taferelen bij hoorzitting over Turkse coup

Vandaag debatteert de Tweede kamer over de onrust in de Turkse gemeenschap na de couppoging van 15 juli. Een coup die een grimmig beeld van de verhoudingen tussen Turks-Nederlandse organisaties onderling aan het licht bracht. In september vond al een eerste debat plaats.

Intimidatie
Het Tweede Kamer-verslag met de titel ‘Dring Turkse invloed op Turkse Nederlanders terug‘ geeft een samenvatting die het aan duidelijkheid niet ontbreekt. Zorgen over intimidatie en bedreiging, loyaliteitsconflicten, een bedenkelijke rol van de Turkse moskee-organisatie Diyanet en twijfels over organisaties die mogelijk met de rug naar de Nederlandse samenleving staan.

Ronde tafel
Ter voorbereiding van het debat van vandaag waren enkele deskundigen, waaronder ikzelf, op 5 oktober voor een rondetafelgesprek in de Tweede Kamer uitgenodigd. De meeste deskundigen uitten zich zeer kritisch over de Turks-Nederlandse belangenbehartigers die zich doorgaans als gesprekspartner van de overheid aandienen. Deze worden vooral gezien worden als spreekbuis van op Turkije geörienteerde clubs. Lilly Sprangers, tot voor kort directeur van het nu gesloten Turkije-Instituut verwoordde haar kritiek het duidelijkst. Ze sprak over ‘soms volstrekt lege hulzen’, slapende websites en beroepsturken.

Schimmig
Ook waren de gesprekspartners het eens over het beeld van de Gülenbeweging. Men ziet in Nederland de schimmige achtergrond en het onderliggende conservatisme van dit netwerk te weinig belicht, waardoor er een te eenzijdig positief beeld ontstaat. Elke speculatie over de schuld aan de couppoging werd daartegen nadrukkelijk vermeden, maar de deelname van Gülen-aanhangers werd door niemand uitgesloten. Over de diepe impact van de couppoging op veel Turken was men het eens. Spanningen waren er altijd al, deels voortkomend uit een onverwerkt verleden van conflicten tussen verschillende etnische groepen, deels gevoed door de actuele ontwikkelingen in Turkije.

Turks-Nederlandse organisaties
Afgelopen maandag 10 oktober vond een tweede sessie plaats. Deze keer met vertegenwoordigers van een tiental Turks-Nederlandse organisaties. Ze waren uitgenodigd door de Kamercommissie Sociale zaken en Integratie om in een hoorzitting hun visie op deze kwesties te geven (liveblog hier). De line-up was zorgvuldig gearrangeerd. In de ochtend kamen als eerste twee representanten van de Gülenbeweging aan het woord. Daarna volgden organisaties van religieuze minderheden als Alevieten en Armeniërs, die op bescheiden wijze hun positie en bestaansrecht duidelijk maakten en de uit de linkse arbeidersbeweging ontstane HTIB, die haar bestaansrecht vooral ontleent aan het ooit in gang brengen van participatie en emancipatie.

Grimmig
’s Middags volgden de in Nederland werkzame grotere religieuze organisaties met een uitgesproken Turks-islamitische, pro-Erdogan signatuur, zoals Milli Görüs en Diyanet. De zittingen vonden in de Enquêtezaal plaats. Hoewel de voorzitter bij elke organisatie benadrukte dat de gesprekken hier een ander karakter hadden, versterkte de frontale opstelling waarbij de ondervraagden in een bank tegenover de commissie zaten de strakke en grimmige sfeer. Dat deze middag de gelegenheid bood om ook voor een breder Nederlands publiek in te gaan op zorgen over eventuele banden met of geldstromen uit Ankara en aan te sturen op een gezamenlijke liberalere toekomstvisie, leek geen van de genodigden te beseffen.

Behendig
Stuurden commissieleden in de ochtend bij de minderheidsorganisaties al meermaals aan op het uitdrukkelijk uitspreken van beschuldigingen of van een oordeel over schuld aan de couppoging, in de middag werd een aantal keren expliciet gevraagd om een stelling te bevestigen of afstand te doen van een door de commissie geformuleerd standpunt. De organisaties waren zo slim daar niet op in te gaan. Anderzijds kwamen de geroutineerdere sprekers behendig onder de voorgeformuleerde vragen uit. Zo stelde advocaat Köse, als lid van de Adviesraad voor de Turkse Diaspora (onderdeel van het Ministerie voor Turken in het buitenland) uitgenodigd, meermaals niet voor dit departement te kunnen spreken. Onduidelijk bleef vervolgens in welke hoedanigheid hij dan wel sprak, namens de adviesraad of namens zichzelf.

Islamitische universiteit
Hetzelfde was het geval met de welbespraakte woordvoerder en vice-president van de Islamitische Universiteit Rotterdam, Ertugrul Gökcekuyu. Ook hij zei meermaals niet namens de universiteit te spreken. Hij toonde zich vooral verbolgen over het feit dat waar in Turkse regeringskringen alle deuren voor hem opengingen, deze in Nederland vaak gesloten bleven, hoe hard hij ook klopte. Dat de extreme uitspraken van rector Akgündüz de oorzaak hiervoor zijn, kwam blijkbaar niet bij hem op, hij bleef hem verdedigen. Kamerlid Öztürk van DENK sprong maar al te gretig op het sentiment van verongelijktheid in, door hem begripvol te vragen: ‘En hoe voelt dat nou voor jou?’ Öztürk zou deze middag nog meermaals zijn gesprekspartners tutoyeren zonder daarop te worden aangesproken.

Dat gezien de conclusies uit het eerdere debat deze houding van onbegrepen verongelijktheid niet de slimste was, kwam niet bij Gökcekuyu op. Maar wellicht was het ook helemaal niet de bedoeling om bij een breder publiek begrip voor zijn onderwijsinstelling te winnen. Meerdere Turkse gesprekspartners leken er vooral op gericht het beeld van de eigen importantie bij hun achterban in stand te houden.

Achterban
Naar het aantal Turkse Nederlanders dat de organisaties menen te kunnen bereiken of te representeren werd niet gevraagd. Dat is opmerkelijk, aangezien toch ook bij de Kamerleden het idee leeft dat zij ook gezamenlijk maar een deel van de Turkse Nederlanders representeren. Als enige gaf Ayhan Tonca namens Islamitische Stichting Nederland (Diyanet) aan rond de 100.000 leden te hebben.

Pettenkwestie
De stapels petten die enkelen op hun hoofd hadden bleven onbesproken. Zo werd de als voorzitter van Milli Görüs Noord Nederland uitgenodigde Yusuf Altuntas (tevens lid Adviesraad voor de Turkse Diaspora) niet gevraagd hoe zijn banden met de Turkse overheid zich verhouden tot zijn betrokkenheid bij 43 van de 52 islamitische basisscholen in Nederland. Altuntas is namelijk ook directeur van scholenkoepel ISBO. Scholen die maar al te graag klaar stonden om leerlingen van Gülenscholen over te nemen.

Ook Ülkü Ögüt, de spreekster voor het zich als jonge nieuwkomer presenterende Turks Nederlands Tegengeluid werd niet gevraagd naar de banden met het vanuit Turkije ondersteunde Center for Public Debate.  Deze organusatie voert haar als bestuurslid op en stelt vergaderruimte ter beschikking aan dit initiatief. Verder blijven de omvang van haar organisatie en de ideeën vaag. Ook de nieuwkomer blijkt verongelijkt en vooral Turks.

Naar binnen gekeerd
Wat na deze middag blijft hangen is het beeld van een in zijn Turkse wereld gekeerd deel van de maatschappij. Er was misschien niet direct naar gevraagd, maar geen van de in de middag genodigden kon ook maar de aanzet van een toekomstvisie voor de eigen organisatie en achterban schetsen. Alleen Ejder Köse wist stellig te melden dat de onderlinge spanningen in de toekomst waarschijnlijk toenemen. Dit aangezien Ankara nieuwe plannen in de maak had om ook in Nederland vertegenwoordigers te laten kiezen. Het was zeker interessant en van belang geweest om hier meer over te horen. Helaas werd hij daar niet naar gevraagd.

Na de hoorzitting deden enkele Kamerleden in de pers stevige uitspraken over de Turkse organisaties. Het is nog maar de vraag of deze stoere taal vandaag ook wordt gevolgd door maatregelen om de invloed van de Turkse overheid in ons land terug te dringen.

Advertenties